De grote boze regering?
But if the power to exercise exclusive legislation in all cases what so ever over the District of Columbia; if the power to lay and collect taxes, duties, imposts, and excises, to pay the debts and provide for the common defense and general welfare of the United States; if the power to regulate commerce with foreign nations and among the several States and with the Indian tribes, to fix the standard of weights and measures, to establish post offices and post roads, to declare war, to raise and support armies, to provide and maintain a navy, to dispose of and make all needful rules and regulations respecting the territory or other property belonging to the United States, and to make all laws which shall be necessary and proper for carrying these powers into execution — if these powers and others enumerated in the Constitution may be effectually brought into action by laws promoting the improvement of agriculture, commerce, and manufactures, the cultivation and encouragement of the mechanic and of the elegant arts, the advancement of literature, and the progress of the sciences, ornamental and profound, to refrain from exercising them for the benefit of the people themselves would be to hide in the earth the talent committed to our charge — would be treachery to the most sacred of trusts.
– John Quincy Adams, State of the Union, December 6th, 1825
John Quincy Adams, de 6de president van de Verenigde Staten, geloofde dat de regering zijn bevoegdheden moet gebruiken om de samenleving the verbeteren. Maar hij bereikte weinig van wat hij van plan was, omdat hij geblokkeerd werd door een Congres dat zijn rivaal, Andrew Jackson, ondersteunde. Jackson versloeg Adams in de volgende verkiezingen, na een smerige, persoonlijke campagne.
Ik gebruik dit citaat om een paar redenen. Ten eerste omdat, vooral in de Verenigde Staten, het er op lijkt dat goede bedoelingen van de regering betreffende het verbeteren van de samenleving makkelijk stranden in schreeuwerige rhetoriek. Ten tweede laat dit citaat zien dat het idee van een regering die een actieve, positieve rol speelt in de samenleving, al sinds lange tijd bestaat in de VS. Al willen sommigen je doen geloven dat dit niet waar is.
Als buitenlander in het Amerika van vandaag kan je niet aan de indruk ontsnappen dat er een grote groep Amerikanen is die over “de regering” praten alsof het een schimmige organisatie is die niets goeds met je van plan is. Nou hoor je mensen natuurlijk ook klagen over de regering in andere landen. Maar in de Verenigde Staten gaan veel mensen een stap verder: ze zien de regering niet alleen als een bron van irritatie, ze denken daadwerkelijk dat de regering een bron van kwaad is.
Ik kan dit niet helemaal verklaren, maar ik zal het toch proberen (ik laat me niet stoppen door een gebrek aan kennis, daar zijn blogs voor, nietwaar).
De Verenigde Staten zijn geboren uit een groep kolonies, bestuurd van verre door een regering (het Britse parlement) waarin ze geen vertegenwoordiging hadden. Dat was uiteraard een situatie die niet kon blijven bestaan, en de kolonies vochten zich vrij. Het is logisch dat dit leidde tot een wantrouwen ten opzichte van een centraal bestuur, zoals het Britse parlement. De langzame communicatie in die tijd zal het nog erger hebben gemaakt: het nieuws over de besluiten van dit ver verwijderde bestuur kwam langzaam en mondjesmaat over de oceaan binnen, en dit zal vergezeld zijn gegaan met geruchten.
Sindsdien is er een sterke onderstroom van weerstand tegen de regering in de Verenigde Staten. Of, om precies te zijn, tegen de federale regering. Velen verzetten zich tegen een sterke rol voor de federale regering in de grondwet (anti-federalisme), en de gedurende de vroege geschiedenis van de VS werden veel acties van de federale regering aangevochten als zijnde in strijd met de grondwet. Een lange serie van besluiten van het Hooggerechtshof gaven langzaam vorm aan de rol van de centrale regering.
Desalniettemin is het moeilijk te begrijpen waarom het anti-regerings gevoel nog steeds zo sterk is. De federale regering is al lang een grote organisatie met veel macht. Je zou denken dat mensen dit nu wel geaccepteerd zouden hebben. Maar, vooral onder conservatieven / politiek rechts blijft did gevoel sterk. Of toch niet?
Er is een groep mensen die vrij consequent tegen inmenging van de regering zijn, onder andere de ‘libertarians’ en, een meer extreem geval, de bunker-bouwende militia groepen (nog zo’n typisch Amerikaans verschijnsel). Maar, voor de meeste Republikeinse politici, lijk anti-regerings gevoel een politieke kaart die gespeeld wordt als het goed uitkomt. Inmenging door de regering wordt alleen veroordeeld als het niet strookt met hun doelen. Als het het leger of anti-terrorisme wetgeving betreft, kan de federale regering niet groot genoeg zijn voor de Republikeinen. Ze vinden het ook prima als de regering zich bemoeid met persoonlijke zaken zoals het huwelijk.
Maar wanneer de federale regering (lees: de Democratische federale regering) iets doet waarmee ze het oneens zijn, roepen ze plotseling de geesten van de Amerikaanse revolutie op, om te claimen dat het verkeerd is en, wel, on-Amerikaans.
Het beste voorbeeld van iets dat door de regering wordt gedaan dat veel tandengeknars veroorzaakt, zijn belastingen. Natuurlijk, niemand vindt belastingen leuk. Je zal mensen over de hele wereld horen klagen over belastingen. Maar, in de VS, zijn belastingen bijna het werk van de duivel zelve. Een politicus die belastingen wil verhogen (ook al is het met een klein bedrag en alleen voor de rijken), neemt een groot risico. Het woord “belasting” is bijna een scheldwoord. Deze situatie wordt benut door Republikeinse politici. Als ze tegen een wetsvoorstel zijn, zullen ze bijna altijd beweren dat het de belastingen zal verhogen (zoals bijvoorbeeld de klimaatwet waar nu over wordt gediscussieerd).
Al met al zal elke discussie in de VS over federale maatregelen om de samenleving te verbeteren al gauw verzanden in dogmatische aanvallen. Dat is jammer, en dat maakt het moeilijk om de voor- en nadelen van de plannen in kwestie te bespreken. Zoals John Quincy Adams had kunnen zeggen “vertel mij wat”.