Grenzen

“Vindt nou echt niemand dat dit te ver gaat?” Dat dacht ik regelmatig als ik de berichten uit Nederland las waarin Geert Wilders weer eens zijn moslimhaat tentoonspreidde. Er waren wel mensen die er tegenin gingen, maar te weinig die zeiden dat een politicus met een behoorlijke aanhang, en dus verantwoordelijkheid, zulke dingen niet kon zeggen.

Ongenuanceerde, groffe uitlatingen in het algemeen zijn natuurlijk niet nieuw, en aan beide kanten van het politieke spectrum te horen. Maar niet door volksvertegenwoordigers van grotere partijen. Althans, vroeger niet. Nu lijkt het normaal gevonden te worden.

Wat is er veranderd? Het zal zijn wortels hebben in de gebeurtenissen rond Pim Fortuyn. Voordat Fortuyn de Nederlandse politiek veranderde leken politici, en hun publiek, zich bewust van de grenzen aan hun uitlatingen. Misschien ging dit soms zelfs te ver. Ik denk dat de kritiek van rechts dat er lang niet over immigratie gesproken kon worden gedeeltelijk terecht is. Toen Bolkesteijn erover begon in de jaren ’90, werd hij hier hard op aangevallen, terwijl wat hij toen zei eigenlijk nu door de meeste partijen is geaccepteerd.

Dit veranderde met Fortuyn. Hij had er geen problemen mee de negatieve gevoelens die sommige mensen over immigratie en moslims hadden ongefilterd door te geven. Toen hij daarop werd aangevallen, werd dit, vooral nadat hij was vermoord, vaak bestempeld als “demonisatie”.

Dit alles had niet alleen het effect dat immigratie een onderwerp werd dat open en bloot op tafel kwam te liggen. Het ging verder. Vastberaden om niet meer beschuldigt te worden van demonisatie (en in het geval van politici: om LPF kiezers terug te winnen), twijfelde men vaak om iemand die harde taal uitsloeg over immigratie of de Islam daarop aan te spreken. De zinnen “dat gaat te ver” of “dat kan je toch niet zeggen” werden nauwelijks meer uitgesproken. Een soort van omgekeerde politieke correctheid: genuanceerd zijn kon niet meer. Schreeuwen is nu niet alleen toegestaan, het is bijna verplicht. Het feit dat je iets mag zeggen, betekent dat je het ook moet zeggen, blijkbaar. Dit paste perfect in de cultuur van internet sites zoals GeenStijl, die trots hun gal spuwen.

Het leverde de goede omgeving op voor Geert Wilders. Hij kon zijn moslimhaat ongelimiteerd op zijn loop laten. De media vondt het mooi, en vondt het zeker niet haar taak om hem te kritisch te benaderen. Voordat je het weet demoniseer je iemand, tenslotte.

En nu is alles in de beslissende fase beland. Wilders heeft een grote winst geboekt bij de verkiezingen (alhoewel niet zo groot als de peilingen een jaar geleden lieten zien). Hoe reageren de andere politieke partijen hierop? Zullen zij durven een principiele keuze te maken? Want het is een principiele keuze. In de Groene Amsterdammer legt Mathijs Bouman uit waarom. Ja, al die dingen staan in Wilders’ partijprogramma. Maar tijdens de campagne deed de VVD zijn best om dit allemaal te negeren. Daarmee hebben zij een grens overschreden. Als je de extreme punten van het PVV programma bagatelliseert en niet tot breekpunt maakt, en slechts gewag maakt van economische verschillen, dan zeg je ronduit dat Wilders’ moslimhaat acceptabel is.

De bal ligt nu, in de formatie, bij het CDA. Het CDA maakte tijdens de campagne nog wel principiele bezwaren tegen Wilders. Zullen ze dat volhouden, of zullen ook zij ook die grens overschrijden? Vinden zij nou echt niet dat dit te ver gaat?

You must be logged in to post a comment.